Donner passeert de Hoge Raad voor SGP

20 april 2011

Minister Donner heeft de Kamer laten weten voorlopig geen maatregelen te willen nemen om het passief vrouwenkiesrecht ook binnen de SGP te garanderen zoals de Hoge Raad in een arrest van meer dan een jaar geleden heeft geëist. Het kabinet wil eerst het oordeel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens afwachten in de zaak die de SGP inmiddels tegen de Nederlandse Staat heeft aangespannen. Formeel heeft een gang naar Straatsburg geen opschortende werking, zoals de Nederlandse Staat ook altijd zegt wanneer het tot uitzetting overgaat van asielzoekers die een klacht aanhangig hebben gemaakt bij datzelfde Europese Hof.

De stelling van de Volkskrant (14 april) dat dit kabinet de SGP ‘paait’ valt dan ook goed te begrijpen. De (impliciete) deal zou zijn dat de SGP ten aanzien van het vrouwenkiesrecht op haar wenken wordt bediend in ruil voor steun voor andere plannen van dit minderheidskabinet. Een politiek spel dus. Wat helaas minder aandacht krijgt, is wat het handelen van minister Donner betekent voor de Hoge Raad en de kansen voor Nederland als verweerder in de Europese rechtszaak.

Gedwongen

Uit de brief aan de Kamer blijkt dat Donner op 22 maart heeft gecorrespondeerd met het bestuur van de SGP. Hij waarschuwt dat de regering gedwongen is maatregelen te nemen als in juridische zin een beletsel bestaat voor vrouwen om namens de SGP een vertegenwoordigende functie uit te oefenen. En om zich ervan te vergewissen of dit inderdaad het geval is, stelt Donner de partij een aantal vragen. Hanteert de SGP procedures of heeft zij statuten die de verkiesbaarheid van vrouwen belemmeren? Beoordeelt de SGP kandidaten alleen op basis van geschiktheid of ook op basis van andere selectiecriteria?

Het partijbestuur heeft op 6 april laten weten dat er geen formele beletselen bestaan voor vrouwen om zich te kandideren. Dit antwoord, in combinatie met de hangende procedure voor het Europese Hof voor de Rechten, is voor Donner reden om voorlopig geen maatregelen te hoeven nemen of zelfs voor te bereiden.

Maar vervangt deze zelf afgenomen enquête nu dan het dwingende oordeel van de hoogste rechter? Welke betekenis hecht onze minister aan het arrest van de Hoge Raad dat na acht jaar juridische procedures tot stand is gekomen?

Discriminatie

Op 9 april 2010 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de SGP discrimineert. Mensen kunnen het daar niet mee eens zijn, maar de Staat hoort dat punt te zijn gepasseerd. In het arrest kan minister Donner trouwens ook gewoon zijn antwoorden lezen. Zo zegt rechtsoverweging 4.1.3: ‘in de visie van de SGP kan men overigens alleen lid worden van de SGP als men haar grondslag en doelstelling, daaronder begrepen het Program van Beginselen, onderschrijft, zodat de leden, en dus ook de vrouwelijke leden, juridisch gebonden zijn aan (..) de daaruit voortvloeiende opvatting dat vrouwen het regeerambt en daarmee het passief kiesrecht in de algemeen vertegenwoordigende organen niet toekomt’. Een kandidaat is dus pas objectief geschikt als hij ook vindt dat vrouwen geen kandidaat mogen zijn.

En vrouwen zijn geschikt als ze zelf vinden dat ze ongeschikt zijn. Ja inderdaad, dat wordt gezien als feitelijke discriminatie. Bovendien heeft de SGP nooit ontkend dat het onderscheid maakt. De partij wil juist voor de Europese rechter afdwingen dat het dit onderscheid mag blijven maken met een beroep op religieuze overtuiging. Vastgesteld kan worden dat Donner een juridische verdwijntruc toepast en de Hoge Raad passeert. Dat is ongekend.

Donners handelen ondermijnt onze rechtsstaat en de positie van de Hoge Raad.

Procedure

Extra complicerend is nog dat de regering in de procedure voor het Europese Hof het arrest van de Hoge Raad zal moeten verdedigen. Dat is immers nu formeel het standpunt van de Nederlandse Staat. Maar is Donner bereid dat onverkort te doen? Of werkt hij er liever aan mee dat de Nederlandse Staat wordt veroordeeld? Wat is de waarde van het briefje van het partijbestuur in de Europese juridische procedure? Is de minister nu overtuigd dat er niet ‘in juridische zin’ gediscrimineerd wordt?

De minister vindt dat de SGP-zaak aan ‘zeer principiële kwesties’ raakt. Daar is het proefprocessenfonds Clara Wichmann het helemaal mee eens. Maar dat een minister zijn plek moet kennen ten opzichte van de rechterlijke macht is ook een ‘principiële kwestie’. Dat zal de jurist Donner toch met ons eens zijn.

Kathalijne Buitenweg (voorzitter Proefprocessenfonds Clara Wichmann) De Volkskrant 20 april 2011