Fonds verheugd over de uitspraak tegen de UvA

14 maart 2013

Vandaag heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in het proefproces dat het Proefprocessenfonds samen met Edith Kuiper voert tegen de Universiteit van Amsterdam. Uit het vonnis blijkt dat de rechter heeft aangenomen dat de door het fonds en Kuiper aangevoerde feiten betreffende het verloop van de sollicitatieprocedure (waaronder de samenstelling van de selectiecommissie, het gebrek aan een objectieve buitenstaander bij de selectie van kandidaten, het feit dat de sollicitatieprocedure zoals die was omschreven in de tekst van de vacature na het vaststellen van de shortlist niet is gevolgd, en de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke wetenschappers in Nederland) een vermoeden opleveren dat de UvA ten aanzien van Kuiper onderscheid heeft gemaakt naar geslacht. De rechter oordeelt echter dat de UvA erin is geslaagd om dit vermoeden te weerleggen en heeft de vorderingen van het fonds en Kuiper daarom afgewezen.

Vonnis

Het fonds juicht het toe dat de rechter in zijn vonnis expliciet heeft overwogen dat de hiervoor genoemde factoren, die aan de achterstand van vrouwelijke wetenschappers bijdragen, een vermoeden van verboden onderscheid naar geslacht opleveren. Deze uitspraak vormt een belangrijke precedent voor vrouwelijke wetenschappers die in de toekomst een rechterlijke uitspraak wensen over mogelijke discriminatie bij de sollicitatieprocedure. De duidelijkheid die door deze uitspraak is geschapen, komt de rechtspositie van vrouwelijke wetenschappers ten goede en vormt een waarschuwing voor universiteiten om te bezien of hun aanstellingsbeleid wel deugdelijk is.
De achtergrond van het proefproces, dat mede op initiatief van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann is aangespannen, is gelegen in het feit dat vrouwelijke wetenschappers in Nederland, en met name hoogleraren, veel minder kans maken op een aanstelling dan mannelijke wetenschappers. Deze achterstand ligt niet aan de wettelijke bescherming die vrouwen genieten. De gelijkebehandelingswetgeving bepaalt immers dat vrouwen gelijk behandeld moeten worden in het aanstellingsbeleid voor overheidsorganisaties zoals een universiteit.

Marieke van den Brink

Uit onderzoek van Marieke van den Brink ( 2010) blijkt dat de achterstand van vrouwelijke wetenschappers wordt veroorzaakt door onder meer de (louter mannelijke) samenstelling van beoordelingscommissies, schuivende selectiecriteria (die worden aangepast aan de kandidaat die de commissie toch al op het oog heeft) en het feit dat vrouwen veelal niet worden gezien bij de acquisitie van wetenschappers (“old boys’ network”). In de zaak van Edith Kuiper waren precies deze elementen aanwezig in de benoemingsprocedure die zij doorliep voor een aanstelling van universitair docent.

Voor het fonds is van groot belang dat de rechter vaststelt dat deze factoren een vermoeden van discriminatie wekken, die door de universiteit zal moeten worden weerlegd. Dit zou diegenen die worden gediscrimineerd betere bescherming bieden en voor universiteiten een stok achter de deur zijn bij het inrichten van hun sollicitatieprocedures. Daarnaast wil het fonds met deze procedure bereiken dat er aandacht komt voor de invloed van deze en andere factoren die discriminatie in de hand werken op het aanstellingsbeleid van universiteiten, en dat universiteiten hun eigen aanstellingsbeleid kritisch onder de loep nemen en verbeteren.

Gender awareness
Aangezien de UvA hiertoe niet bereid was, heeft het fonds gevorderd dat hoogleraren, universitair hoofddocenten en de bestuursstaf bij de UvA een gender awareness training volgen. In een gender awareness training worden staf en wetenschappelijk personeel geïnformeerd over hoe discriminatie werkt, over manieren om discriminatie tegen te gaan en over de wetgeving hierover. Een dergelijke training is een beleidsinstrument dat tevens de discussie over discriminatie binnen een arbeidsorganisatie op gang kan brengen. Op deze vordering is de rechter niet ingegaan. De afwijzing van die vordering is in het geheel niet gemotiveerd. Daarbij kan een vraagteken worden geplaatst, aangezien het vermoeden van onderscheid wel is aangenomen en het fonds, ondanks verweer daartegen van de UvA, wel in haar vordering ontvankelijk is verklaard.

Het fonds beraadt zich thans over de mogelijkheden om in hoger beroep te gaan tegen het oordeel van de rechter dat de UvA erin is geslaagd het vermoeden van verboden onderscheid naar geslacht te weerleggen.