Reactie op minister Asschers besluit rondom WAZ zwangere zelfstandigen

31 oktober 2014

Lees hier de brief van het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Vereniging van Vrouw en Recht aan de vaste commissies SZW van de Eerste - en Tweede Kamer over minister Asschers weigering CEDAW's uitspraak in klachtprocedure te volgen: 

 

Aan de leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van de Tweede Kamer en Eerste Kamer

Leiden, 31 oktober 2014

Betreft: Brief Minister Asscher over CEDAW’s uitspraak in de individuele klachtprocedure van vrouwelijke zelfstandigen zonder uitkering d.d. 19 september 2014 (Kamerstukken II 2014/15 30420 nr. 206)

Geachte dames en heren,

Bij brief van 19 september 2014 informeerde minister Asscher u over het feit dat hij het niet opportuun acht de aanbeveling van het CEDAW Comité (Comité voor de uitbanning van discriminatie tegen vrouwen) op te volgen, inzake zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen. In deze brief willen Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en Proefprocessenfonds Clara Wichmann u vragen om het kabinet en de minister ervan te overtuigen dat deze afwijzende houding ten aanzien van de zes klaagsters niet legitiem is.

De feiten zijn als volgt. Zes gedupeerde vrouwen hadden, nadat alle nationale rechtsmiddelen waren uitgeput, een klacht tegen de Staat ingediend wegens schending van hun rechten onder het VN-Vrouwenverdrag. Door in 2004 een einde te maken aan de toegang tot de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) was de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen afgeschaft. De zes vrouwen voelden zich in hun rechten onder het VN-Vrouwenverdrag geschonden omdat er geen uitkering meer voor hen open stond bij de geboorte van hun kind. Op 17 februari 2014 heeft het Comité haar oordeel gegeven en klaagsters volledig in het gelijk gesteld: de Staat heeft hun rechten onder artikel 11, lid 2 (b) VN-Vrouwenverdrag geschonden. Vervolgens beveelt het Comité de Staat aan om voor reparatie voor de zes klaagsters te zorgen, inclusief passende geldelijk compensatie voor de gemiste zwangerschapsuitkering. Daarnaast deed het Comité een algemene aanbeveling ten aanzien van de gehele groep zelfstandigen die tussen 1-8-2004 en 4-6-2008 een zwangerschapsuitkering misliep.

De minister voelt zich niet gebonden aan het oordeel van het comité. Echter dit is volgens ons onjuist.  Uitspraken van het Comité in de individuele klachtprocedure zijn wel degelijk bindend voor Nederland. Door het ratificeren van het Facultatief Protocol bij het VN-Vrouwenverdrag in 2002 heeft Nederland zich gecommitteerd aan deze uitspraken.

Het is niet te begrijpen dat burgers wel de mogelijkheid is gegeven een klacht in te dienen door ratificatie van een Facultatief Klachtprotocol bij een VN-Mensenrechtenverdrag, maar vervolgens de uitkomst van deze klachtprocedure te negeren. Dan had de Staat der Nederlanden het Facultatief Protocol niet moeten ratificeren; er bestond immers geen enkele verplichting daartoe.

Het Comité heeft de zes klaagsters gevraagd om een reactie op het standpunt van de regering. De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann en het Proefprocessenfonds Clara Wichmann staan (de advocaat van) de zes daarin bij. Het Comité zal in de follow-up procedure blijven aandringen op compensatie voor klaagsters, zoals het ook in de zaak A.T. versus Hongarije (Communication No. 3/2003) jarenlang deed, uiteindelijk met succes. Wij hopen echter dat zo’n jarenlange proces niet nodig zal zijn en roepen u op de minister en het hele kabinet ervan te overtuigen dat deze zes vrouwen, die nu al jarenlang procederen, eindelijk gerechtigheid toekomt.

Daarnaast dienen in onze ogen de argumenten gewogen te worden die de minister naar voren brengt om de algemene aanbeveling van het Comité inzake de hele groep zelfstandigen (2004-2008) niet te volgen, temeer omdat de minister hiermee geen recht doet aan de aard en bedoeling van het VN Vrouwenverdrag. U vindt onze juridische onderbouwing in de bijlage van deze brief.

In afwachting van uw reactie,

Met vriendelijke groet


Mr. M.M. van der Burg                                    Mr. A. de Ruijter
Voorzitter VVR                                                Voorzitter Proefprocessenfonds